text lecture Pim Fischer

About 50 people visited the lecture of lawyer Pim Fischer. Read the complete text (Dutch) in this post.

Over “weg, weg, weg, jij” en drie andere beslissingen van de Raad van State

lezingpim

Lezing Pim Fischer
1 september 2017

En weer is er een wending in de rechtspraak. Dit keer een totaal onwaarschijnlijke. Ging het in het debat steeds om noodhulp, gaat het nu ineens over verblijfsrecht.

De staatssecretaris biedt noodhulp voorwaardelijk. Dat is de rechtspraak. Het idee is dat Nederland mensen die hier in nood zijn, maar dat zelf kunnen oplossen door te vertrekken niet hoeft te helpen. De praktijk is dat niemand aan de gestelde voorwaarden voldoet. Wat er ook gezegd of gedaan wordt, uiteindelijk is de conclusie van de regievoerder van de DT&V (Dienst Terugkeer en Vertrek): “weg, weg, weg, jij!.” En waarheen dan? Dat is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling. “Ga weg, jij!”, volstaat echter vanaf 5 juli 2017 niet meer. Op die dag oordeelt de Raad van State dat de staatssecretaris moet uitleggen wat er gedaan moet worden om te kunnen vertrekken. Ondertussen moet hij wel opvang bieden. En lukt vertrekken, ondanks instructie, nog steeds niet, dan moet de staatssecretaris ambtshalve beoordelen of verblijfsrecht moet worden verleend. Dat betekent concreet dat de fictie dat wie niet kan vertrekken een buitenschuldvergunning krijgt, nu wel eens werkelijkheid zou kunnen worden.

Om te kunnen begrijpen waarom de rechtspraak over noodhulp hier op uit is gekomen moeten we een stukje terug in de tijd. Gaan we vijf jaar terug. Naar het moment dat er uit de illegaliteit mensen opstaan en zeggen: “we are here”. Dat is het moment dat ook publieke belangstelling ontstond voor het recht op onderdak en voedsel voor mensen zonder verblijfsvergunning. De acties van We Are Here dwongen burgemeesters en politici zich uit te laten. In die context treft het ECSR (European Committee of Social Rights) op 25 oktober 2013 Immediate Measures.

Immediate Measures
Het ECSR geeft Nederland een opdracht: Adopt all possible measures with a view to avoiding serious, irreparable injury to the integrity of persons at immediate risk of destitution, through the implementation of a co-ordinated approach at national and municipal levels with a view to ensuring that their basic needs (shelter, clothes and food).

Toenmalig staatssecretaris Teeven gaf geen gevolg aan wat hij noemde een “tussenuitspraak”. Maar een immediate measure is een ordemaatregel, geen tussenuitspraak. Mede vanwege die reactie werd wel alle aandacht gevestigd op de lopende procedure bij het ECSR. Teeven schrijft de Tweede Kamer op 5 november 2013: Een collectieve klacht onder het ESH (Europees Sociaal Handvest) zal derhalve per definitie beleidsconsequenties kunnen impliceren. De regering acht het onlogisch om dergelijke beleidsconsequenties door te voeren in een fase dat nog geen sprake is van een inhoudelijk oordeel van het toezichthoudend comité. En de staatssecretaris eindigt zijn brief aan de Kamer met: Ik wacht het definitieve standpunt van het comité af, waarna bespreking in het kabinet zal volgen. De reactie van Teeven bood de politieke ruimte aan gemeenten om in alle openheid gevolg te geven aan de opdracht van het ECSR. En ook voor de journalisten werkzaam op het Binnenhof bleef het interessant, omdat er een VVD/PvdA kabinet zat: een onoverbrugbaar verschil van mening over de noodzaak het beleid aan te passen zou wel eens een kabinetscrisis tot gevolg kunnen hebben En die crisis kwam er, hoewel die volgens de betrokken spelers niet zo mocht worden genoemd.

Decision on the Merits
Op 1 juli 2014 beslist het ECSR dat bij nood de overheid hulp moet bieden. Nederland schendt het ESH. De publicatie van de uitspraak volgt echter pas op 10 november 2014. De beslissing op de klacht van de Conferentie van Europese Kerken tegen Nederland is unaniem. Onder overweging 117 staat dat noodhulp niet onder de voorwaarde dat iemand bereid is mee te werken aan zijn eigen uitzetting kan worden geboden. En onder overweging 121 overweegt het Comité dat het onthouden van noodhulp niet noodzakelijk is om de doelen van het migratiebeleid te behalen. De conclusie is, onder overweging 124, dat de weigering noodhulp te bieden een schending is van de rechten van niet-toegelaten vreemdelingen.
Twee weken later worden zes zaken bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) besproken. De beslissing volgt op 17 december 2014. De twee voorzieningenrechters die zitten volgen het ECSR (ECLI:NL:CRVB:2014:4178/4179) en oordelen dat er opvang moet zijn voor mensen in nood, ongeacht hun verblijfsstatus. Noodhulp is uit de aard der zaak onvoorwaardelijk. Lagere rechters volgen nu ook het ECSR (ECLI:NL:RBAMS:2015:2651). Het gevolg is dat in veel gemeenten speciale voorzieningen worden ingericht, de zogenaamde BBB’s (Bed-Bad-Brood). En zolang er een rechtsplicht was, konden de gemeenten de kosten declareren bij de rijksoverheid. Zo werd aan 31 gemeentes in totaal 10.300.000 euro uitgekeerd op grond van de “Decentralisatie-uitkering Tijdelijke voorziening bed, bad en brood”.

De politieke context wijzigt echter in 2015 dramatisch. Op de televisie zien we beelden van grote aantallen nieuwe vluchtelingen aan de grenzen van Europa. Het heet een crisis. Het Comité van Ministers, het toezichthoudende orgaan op naleving van de beslissingen van het ECSR, vergadert over de beslissing van het ECSR. In plaats van te bevestigen dat Nederland zich gewoon aan de bindende interpretatie van het ESH moet houden, komt het Comité op 15 april 2015 met de inhoudsloze mededeling dat het uitziet naar een rapport over de ontwikkelingen. Dat is genoeg voor de politiek om de uitspraak naast zich neer te leggen. In het kabinet volgt overleg.

En het resultaat is wonderlijk: VVD en PvdA spreken af het vreemdelingenbeleid vanaf nu ‘sluitend’ te maken. Op 22 april 2015 schrijven Koenders, Asscher en Dijkhoff aan de Tweede Kamer dat de opvang waartoe Nederland is verplicht wordt geboden in Vrijheidsbeperkende Locaties (VBL). Die locaties bestonden eerder ook al. Daar werkt een vreemdeling aan zijn vertrek. Lukt dat niet, dan staat hij na twaalf weken op straat. Concreet is nu de oplossing van het kabinet de termijn van twaalf weken in voorkomende gevallen […] niet te strikt toe te passen. Lukt het de vreemdeling langdurig niet te vertrekken, dan zou een buitenschuldvergunning volgen. Het kabinet schrijft: Met deze verbeteringen in ons stelsel van terugkeer is er geen noodzaak meer voor gemeenten om zelf structureel opvang aan te bieden dan wel te financieren voor niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen. En voor wat de gemeenten wel moeten doen is als compromis de volgende formulering gekozen: Op 11 mei 2015 zal de Raad van State een aantal procedures behandelen… De verwachting is dat de Raad van State naar aanleiding daarvan een richtinggevende uitspraak zal doen, waaraan wij uiteraard gevolg zullen geven. Die zaak trek ik op zitting in. Daar was niets goeds van te verwachten.

De rechtspraak van 26 november 2015
Het wachten is nu op een uitspraak van een hoogste rechter. De Raad van State en de Centrale Raad van Beroep besluiten te coördineren en komen op 26 november 2015 gelijktijdig met een uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:3803/3834/4093 en ECLI:NL:RVS:2015:3415).

Kern in de 26 november-rechtspraak is dat opvang voorhanden is, namelijk in de VBL. Colleges van burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een verzoek om opvang op grond van de Wmo of de Wmo 2015 van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling af te wijzen op de grond dat de noodzaak om opvang te bieden ontbreekt, omdat de aanvrager gebruik kan maken van opvangvoorzieningen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers of de staatssecretaris (ECLI:NL:CRVB:2015:3803, overweging 4.4.). Er mag volgens de CRvB van worden uitgegaan dat een uitgeprocedeerde vreemdeling van de opvang in een VBL gebruik kan maken (ECLI:NL:CRVB:2015:4093, overweging 4.5 en ECLI:NL:CRVB:2015:3803, overweging 5.11).

En dan was er nog de kwestie of de CRVB als hoogste rechter beslist of de Raad van State. De CRvB beslist over hulp die de gemeente biedt op grond van de wet. De Raad van State beslist als de gemeente hulp biedt zonder wettelijke grondslag. Die slag wint de RvS. Het beleid van gemeenten kan niet langer worden gebaseerd op de Wet maatschappelijke ondersteuning. En er wordt een reden gegeven: Dat een dergelijke beslissing eerder wel is aangemerkt als een op de Wmo berustend besluit, vindt zijn grond hierin dat het toen geldende, onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris vallende stelsel van opvangrecht voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen vanuit verdragsrechtelijk perspectief niet geheel sluitend was, waardoor een lacune resteerde waarin de rechtspraak op basis van de Wmo voorzag. Uit de uitspraak van de Raad …volgt dat dit stelsel thans wel sluitend moet worden geacht, waardoor onder deze omstandigheden deze grond is komen te vervallen (overweging 4.71; ECLI:NL:CRVB:2015:3834).

Veel gemeenten vinden ondertussen het verhaal van het ECSR – ‘bij nood help je’ – toch wel overtuigend. In hun ervaring is het systeem helemaal niet opeens sluitend geworden. Ook Amsterdam gaat voort met haar beleid. De BBB blijft open. Ter zitting neemt de gemeente het standpunt in dat de gemeente niet hoeft te helpen en dat er ook geen aanspraak is.

Gemeentelijk beleid
De Centrale Raad van Beroep stuurt intussen zaken over opvang door de gemeente door aan de Raad van State. Op 29 juni 2016 beslist de RvS op een door de CRvB doorgestuurde zaak. Dit zag ik niet aankomen: om er maar voor te zorgen dat de vreemdelingenrechter en niet de algemene bestuursrechter bevoegd is te oordelen wordt het beleid van de gemeenten geacht haar basis te vinden in de Vreemdelingenwet (ECLI:NL:RVS:2016:1782/1783). De gemeente heeft echter volgens de Raad van State geen verdragsrechtelijke plicht bij nood te helpen omdat thans het stelsel wel sluitend moet worden geacht. De staatssecretaris behoort de aanspraak op grond van verdragsrecht te beoordelen.

De consequentie is dat het beleid van gemeenten niet kan worden aangevochten. De toets van de vreemdelingenkamer beperkt zich ertoe of het de gemeente haar eigen beleid goed heeft toegepast. De Raad van State toetst de uitwerking van dat beleid niet aan de mensenrechten. Overigens is het ook weer niet zo dat hiermee de weg open is voor gemeentelijke willekeur. De RvS oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel een consistent en dus doordacht bestuursbeleid [vergt]. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt bij zijn optreden in individuele vergelijkbare gevallen. Het bewaken van de consistentie van het eigen optreden is bij uitstek de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur. (EXCLI:NL:RVS:2016:1782, overweging 5.4. en ECLI:NL:RVS:2016:1783, overweging 3.5.). Als de gemeente opvang biedt, dan heeft zij zich aan de eigen vaste gedragslijn te houden. In dat geval gelden ook de bewijsregels zoals die uit die vaste gedragslijn blijken (ECLI:NL:RVS:2016:2383). En het algemene beginsel dat het optreden van het bestuur deugdelijk moet gemotiveerd blijft ook staan (ECLI:NL:RVS:2017:2167/2169). In de beslissingen van de RvS van 11 augustus 2017 staat onder overweging 2.2. dat als de gemeente zich baseert op een advies van de GGD (gemeentelijke gezondheidsdienst), wel inzichtelijk moet zijn hoe de GGD tot de conclusie is gekomen dat de vreemdeling niet aan het vereiste van medische kwetsbaarheid voldoet. Het gelijkheidsbeginsel geldt volledig.

De juridische constructie ziet er nu dus zo uit: de feitelijke handeling van de gemeente, het “jij krijgt wel opvang, jij niet”, is het besluit waartegen op grond van artikel 72.3 Vreemdelingenwet bezwaar gemaakt kan worden. Maar ook in dat geval moet er wel deugdelijk gemotiveerd. En maakt de gemeente gebruik van deskundigen dan moet wel de mogelijkheid bestaan die inhoud van het deskundigenoordeel te bestrijden (ECLI:NL:RVS:2017:1674).

Not indifferent, meent het EHRM
Eén van de zaken beslist in de gezamenlijke uitspraak van de CRvB en de RvS van 26 november 2015 is voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het Hof volgt niet de redenering van de CRvB en RvS. Dat maakt dat we deze zaak moeten bespreken.

Op 5 juli 2016 beslist het EHRM op de klacht van Hunde, een afgewezen asielzoeker die meer dan een jaar in een natte, koude en vieze garage in Amsterdam Zuid-Oost verbleef. In gevallen van extreme armoede mag de overheid niet onverschillig blijven. Dat is onmenselijk. Het Hof oordeelt (paragraaf 59) echter dat artikel 3 EVRM niet is geschonden. Immers, de overheid heeft inmiddels een speciaal programma in het leven geroepen. Het is wel waar dat meneer Hunde in de tussentijd meer dan een jaar in de vluchtgarage heeft verbleven, maar het is onvermijdelijk dat het instellen en implementeren van een hulpprogramma tijd kost. Omdat de overheid actie heeft ondernomen en dus niet inactive of indifferent was ten opzichte van de situatie in de vluchtgarage, is meneer Hunde niet onmenselijk behandeld.

Inmiddels wil het kabinet de gemeentelijke opvang echter sluiten en alleen nog voorwaardelijke opvang bieden in de VBL. De staatssecretaris schrijft op 21 november 2016 aan de kamer dat het overleg over Bed-Bad-Brood-opvang is mislukt. Op 29 november 2016 volgt een nadere duiding: Wanneer gemeenten bereid zijn om als onderdeel van een akkoord ondubbelzinnig af te spreken om geen parallelle, structurele opvangvoorzieningen meer te blijven bieden aan uitgeprocedeerden met een vertrekplicht ben ik bereid om de gesprekken met het oog op het sluiten van een bestuursakkoord over LVV’s [Landelijke Voorzieningen Vreemdelingen] te hervatten. Als de gemeenten doen wat de staatssecretaris wil, dan zou dat wel eens in het licht van de beslissing van het EHRM een probleem kunnen zijn.

Zorgverleners hebben een eigen verantwoordelijkheid
Het door gemeenten gemaakte beleid valt niet langer onder de Wmo (Wet maatschappelijke opvang) maar onder de Vreemdelingenwet. Dat betekent echter niet dat zorg (bijvoorbeeld beschermd wonen) nu ook onder de Vreemdelingenwet valt.

De vreemdeling heeft een aanspraak op zorg. Echter, voor het realiseren van deze aanspraak is niet de overheid, maar de zorgverlener het aanspreekpunt. De RvS oordeelt in 2006: De beoordeling of medische hulp geïndiceerd is ligt geheel bij de arts of hulpverlener (ECLI:NL:RVS:2006:AY9897, overweging 2.3.4). De CRvB legt in 2012 uit: Daarbij is de wetgever uitgegaan van het bestaan van een zorgplicht van de zorgaanbieder… De wetgever heeft er niet voor gekozen om deze doelgroep rechtstreeks aanspraken op grond van de Zvw en de AWBZ toe te kennen… de Inspectie voor de volksgezondheid heeft nauwelijks tot geen signalen ontvangen dat de toegankelijkheid van de zorg in het geding is. Deze door de Staat gemaakte keuze valt binnen de ruime “margin of appreciation” die de Staat toekomt waar het gaat om de besteding van publieke middelen…Appellant kan zich rechtstreeks wenden tot een zorgverlenende instelling (ECLI:NL:CRVB:2012:BW7703, overwegingen 4.2.4.-4.2.6.).

Zorgverleners kunnen zorg bieden en declareren bij de overheid. Zegt de zorgverlener: ik bied helemaal geen zorg, ik bied alleen opvang, dan is er geen aanspraak. In Amsterdam was dat het verweer van het Leger des Heils (ECLI:NL:GHAMS:2016:4283; overwegingen 3.9. en 3.10.). Met dat standpunt van de hulpverlener is er ook geen aanspraak op grond van de zorgovereenkomst.

En dan nu: de opvang die voorhanden is
Na de uitspraken van 26 november 2015 was in het juridische forum het uitgangspunt dat onderdak beschikbaar is en in beginsel ook voldoende. Volgens de RvS zou de staatssecretaris hebben gezegd dat hij beslist of er op grond van verdragsrecht aanspraak op opvang is (ECLI:NL:RVS:2014:722). De enige voorwaarde was dat de vreemdeling wel vooraf verklaart bereid te zijn mee te werken aan vertrek. De Raad van State oordeelt: [i]n het licht van de beslissing van het ECSR en EHRM kan de staatssecretaris met dit voorwaardelijke aanbod volstaan […] Met deze handelwijze heeft de staatssecretaris de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3 van het EVRM en de onder 1 genoemde jurisprudentie niet geschonden, zolang hij, zij het voorwaardelijk, een – reëel – aanbod van onderdak in de VBL gestand doet. Aldus geeft de staatssecretaris immers geen blijk van inactiviteit dan wel officiële onverschilligheid in de zin van de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2017:1741, overweging 1 en 8).

In Ter Apel zou het gevraagde onderdak voorhanden zijn. Probleem was wel dat de staatssecretaris niet de moeite had genomen het beleid aan te passen op die rechtspraak van de RvS en CRvB. Het beleid staat in de Leidraad Terugkeer en Vertrek. En daar is niets te lezen over verdragsrecht. Dat gaat over Terugkeer en Vertrek. En over die aanspraak op opvang, daarover staat niets. Dat er opvang zou zijn, dat was meer een idee van de hoogste juridische colleges in Nederland, niet het idee van de staatssecretaris.

Logisch was de volgende stap de staatssecretaris aan te spreken. Ik had echter geen idee wat er zou gebeuren als mensen zich aan de poort in Ter Apel zouden melden. Aanvankelijk vroeg ik schriftelijk om opvang in Ter Apel. Dat kon eerst wel, later werd gesteld dat de vreemdeling zich in persoon moest melden. De regievoerder moest toch echt in de ogen van de vreemdeling kunnen kijken om aldus te kunnen beoordelen of de wens te vertrekken wel oprecht en geloofwaardig was. Het aanvragen zou niet anders kunnen dan in ter Apel zelf. Met auto’s zijn mensen van We Are Here naar Ter Apel afgereisd, totdat de staatssecretaris speciaal voor de klanten van mijn kantoor een loket opende in Amsterdam.

In totaal 70 cliënten van mijn kantoor hebben om opvang “die voorhanden is” gevraagd. Op 8 maart 2016 de eerste. Hij werd niet toegelaten. Hem werd gezegd meteen weer te vetrekken: “weg, weg, weg, jij”. En de laatsten op 18 augustus 2016. Toen ik bij 70 kwam en moest vaststellen dat nog niet één was toegelaten, heb ik de DT&V gezegd dat we het hier maar even mee moesten ophouden en rechtspraak moesten afwachten.

Op 18 april 2017 was er een zitting bij de RvS in vier zaken over de opvang door de staatssecretaris. Toen bleek ook de reden ook waarom maar niemand werd toegelaten. Dat was omdat het mijn klanten volgens de procesvertegenwoordigers vooral te doen was om opvang en niet om vertrek. Dat stond er nog vrij neutraal in de pleitnota. In de mondelinge toelichting werd daaraan toegevoegd dat de Staatsraden het zo moeten zien dat met de klanten van mr Fischer een spel wordt gespeeld: “kat en muis”.

De rechtspraak van 5 juli 2017
Deze zaak was niet makkelijk voor de Raad van State. De staatssecretaris zonder meer gelijk geven kon niet. De CRvB had immers geoordeeld dat de gemeente niet op grond van verdragsrecht hoeft op te vangen omdat de staatssecretaris dat al doet. Toetst de staatssecretaris daar dan niet aan, dan zou de noodzaak te helpen op grond van de Wmo weer herleven. En dat was nu juist niet de bedoeling.

Andere route zou zijn het ECSR volgen. Dat veroorzaakt in de verblijfskolom geen problemen. Bij nood help je. Punt. De enige vraag die aan de orde komt is of er sprake is van nood. Maar als je naar de feitelijke situatie gaat kijken, dan moet je op enig moment wel het standpunt verlaten dat het systeem sluitend is.

De Raad van State kiest voor een derde optie. Het systeem is sluitend en de opvang mag ook worden geweigerd, maar dan moet de staatssecretaris wel aangeven wat de vreemdeling moet doen om wel opvang te krijgen. Zo kan het leven op straat altijd aan de vreemdeling worden toegerekend en ontstaat er volgens de RvS geen verdragsrechtelijk probleem.

De RvS begint met de vreemdeling ongelijk geven. De enkele verklaring “ik ben eerlijk en oprecht” is niet genoeg. Het moet om feiten gaan (ECLI:NL:RVS:2017:1741, overweging 8 en ECLI:NL:RVS:2017:1826, overweging 7.1). Maar dat werkt dan wel twee kanten op. Dan volgt automatisch dat ook de staatssecretaris niet kan volstaan met de mededeling: “u bent niet oprecht en niet eerlijk en daarom heeft u geen aanspraak op opvang”. De staatssecretaris beweert dat een vreemdeling door – alsnog – mee te werken aan het realiseren van de op hem rustende vertrekplicht altijd onderdak kan krijgen in de VBL (ECLI:NL:RVS:2017:1826, overweging 5.2). Vanaf nu moet de staatssecretaris per concreet geval motiveren waarom hij, gezien de persoon van de desbetreffende vreemdeling en diens perspectief voor vertrek uit Nederland, ervoor heeft gekozen hem vooraf tegen te werpen dat hij niet meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland (ECLI:NL:RVS:2017:1825/1826/1828, overweging 6 en ECLI:NL:RVS:2017:1741, overweging 7).

Bij onvoorwaardelijke opvang (dat is de verdragsnorm) hoeft het systeem niet te kloppen. In de echte wereld ontstaat de nood en dus de verdragsplicht hulp te bieden omdat het systeem dus niet sluitend was. In Nederland is dat anders. Bij ons is het systeem sluitend. Er is onderdak voorhanden. Er mogen voorwaarden gesteld. Maar die opvang – en dus de voorwaarden – moeten wel “reëel” zijn (ECLI:NL:RVS:2017:1741, overweging 8). De staatssecretaris kan niet meer volstaan met: u bent nog niet weg, dus u heeft niet meegewerkt. Als u had meegewerkt, dan zou u weg zijn geweest, want het systeem is immers sluitend.

De staatssecretaris moet nu opschrijven hoe kan worden vertrokken. En dat zet de boel radicaal op z’n kop. Als het vertrekken, ondanks heldere opdracht, toch niet is gelukt, dan volgt een verblijfsvergunning. Dat er in Nederland een buitenschuldprocedure is, was in de Hunde-zaak ook een grond voor het EHRM (Europees Hof van de Rechten van de Mens) om geen schending van artikel 3 EVRM aan te nemen (onder overweging 57). De RvS gaat door op deze redenering, om maar niet tot de conclusie te hoeven komen dat het systeem niet sluitend is. Nu moet het echter wel gaan om reële voorwaarden, dus niet: probeert u het nog eens voor de zoveelste keer bij de ambassade. De staatssecretaris moet kenbaar maken hoe moet worden vertrokken.

Als vertrek dan toch niet mogelijk blijkt moet het recht op verblijf worden beoordeeld. De Raad van State: Aan het aldus gevoerde beleid ligt het uitgangspunt ten grondslag dat terugkeer naar het land van herkomst mogelijk is als de vreemdeling meewerkt aan zelfstandige terugkeer. Indien ondanks die medewerking terugkeer nog steeds niet mogelijk is, zal ambtshalve worden nagegaan of er sprake is van een situatie dat de desbetreffende vreemdeling buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten (ECLI:NL:RVS:2017:1826, overweging 5.1 en ECLI:NL:RVS:2017:1741, overweging 6.1). De bewijslast is hiermee gedraaid. En dat heeft ook verblijfsrechtelijk consequenties. Het maakt immers wel wat uit of de vreemdeling moet bewijzen dat hij echt niet te kan vertrekken, of dat de staatssecretaris moet aangeven hoe dat vertrek dan wel mogelijk is.

Hoe de toets aan de mensenrechten door de staatssecretaris er precies uit moet komen te zien weten we nog niet. Aan een oordeel daarover kwam de Raad van State nog niet toe, omdat eerst de feiten vast moeten komen te staan: Zolang de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor het bepalen van de omvang van de op de staatssecretaris rustende verdragsverplichtingen niet juist zijn vastgesteld, is een directe rechterlijke toetsing aan die verdragsbepalingen niet mogelijk (ECLI:NL:RVS:2017:1825, overweging 9.1).

Onderdeel van de feiten is in elk geval de zorg die nodig is. Indien zorg nodig is dan kan niet volstaan met een standaard mededeling “opvang én medische zorg is voorhanden”. De toets beperkt zich niet tot de vraag of meegewerkt wordt aan kenbare opdrachten. Het gaat wel om maatwerk op grond van verdragsrecht. Zo moet bijvoorbeeld wel concreet ingegaan worden op de overdracht van de medische behandeling, dat wil zeggen de ene arts draagt over aan de andere arts (EHRM, Paposhivili tegen België, 13 december 2016). De mededeling dat de medische zorg beschikbaar is in de VBL en in het land van herkomst, volstaat niet. Maar de staatssecretaris heeft daar nog niet over nagedacht, hoefde ook niet, want het was immers altijd nee.

Nu de staatssecretaris moet motiveren, kan ook duidelijk worden dat in sommige gevallen de VBL helemaal niet adequaat is. Maar de staatssecretaris kan niets anders bieden (ECLI:NL:RVS:2017:2292, overweging 3.1.). Zo komt niet alleen een buitenschuldvergunning in zicht, maar mogelijk ook weer hulp op grond van de Wmo.

En nu?
Intussen blijft de internationale norm natuurlijk bestaan. Noodhulp is immers per definitie onvoorwaardelijk. Eerst helpen, dan praten, dat is de norm. In Nederland hebben we echter door een stapeling aan constructies nu een heel ander systeem. Een gesloten systeem. Eentje waar altijd een verblijfsrechtelijke oplossing bestaat. Dit gesloten systeem hangt wel met dunne touwtjes aan elkaar. Maar voor nu is dit de stand.

Wat nu niet meer kan is de standaardredenering: “U werkt niet mee, u moet nu eens de waarheid zeggen.” Of: “U werkt niet mee, want als u mee had gewerkt was u hier immers niet meer geweest.” Deze constructies gaan na 5 juli 2017 niet meer op. De staatssecretaris moet reële voorwaarden stellen. De meewerkcriteria moeten concreet worden gemaakt. En dat geldt dus ook voor de gezinnen die in een gezinslocatie verblijven. Ook zij hebben er belang bij te weten wat volgens de staatssecretaris gedaan moet worden om te kunnen vertrekken. De bewijslast draait ook hier.

Omdat het systeem gesloten is ligt er op het eind altijd een oplossing. Als gedaan is wat gedaan moest worden volgens de staatssecretaris en desondanks vertrek niet is gelukt, dan moet de staatssecretaris ambtshalve de aanspraak op een verblijfsvergunning beoordelen. Op het eind is er in Nederland altijd een keurige in het systeem verankerde oplossing. Het gaat er nu om de Staat aan deze belofte te houden. We vragen nu niet alleen noodhulp, maar ook een oplossing. Het ging de mensen van We Are Here altijd al om verblijfsvergunningen. Via de omweg van noodhulp heeft de Raad van State nu de buitenschuldvergunning op de agenda gezet.

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

About wereldhuis

Het wereldhuis is a center for information, counseling, education and culture for refugees out of procedure / undocumented migrants